Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Jazz International Rotterdam veelzijdig en van hoge kwaliteit

CONCERTRECENSIE. Festival Jazz International Rotterdam, LantarenVenster, 1 en 2 november 2014
beeld: Thomas Huisman
door: Armand van Wijck

'Kleinschalig in omvang, groots in namen'. Het motto van het festival Jazz International Rotterdam is een doeltreffende samenvatting van wat er zich dit weekeinde afspeelde in LantarenVenster. Verdeeld over twee zalen waren er artiesten te bewonderen als Avishai Cohen, John Scofield en Ben van Gelder. Een gevarieerd programma van hoge kwaliteit met veel jong talent.

  
John Scofield, Ben van Gelder met Ambrose Akinmusire en Avishai Cohen traden op tijdens Festival Jazz International Rotterdam.

De programmamakers hadden alles goed geregeld. Het dagelijkse schema zat zo in elkaar dat een bezoeker met een dagkaart iedere groep een keer kon bewonderen. Sommige muzikanten speelden namelijk twee sets. Tussen de concerten door was er genoeg tijd om wat te drinken en ondertussen te luisteren naar een van de big bands die in de foyer speelden. De kleinschalige omvang gaf een relaxte sfeer en zorgde er samen met de aantrekkelijke programmering voor dat er veel echte jazzliefhebbers op het festival waren afgekomen.

Ben van Gelder 
De vrijdag stond in het teken van pianotrio's, met optredens van onder andere de jong getalenteerde Tigran Hamasya, die Armeense volksmuziek in zijn composities verwerkt. Maar de zaterdagavond startte met een akkoordloos kwartet van Ben van Gelder, die niemand minder dan de Amerikaanse trompettist Ambrose Akinmusire had uitgenodigd als gastspeler. Omdat Van Gelder die avond twee sets moest spelen, duurde één set helaas maar drie kwartier. Misschien een onvermijdelijke keerzijde van dit festival, want het leek net niet voldoende voor de muzikanten en voor het publiek om er helemaal in te komen. 

  
Matt Brewer, Ambrose Akinmusire en Ben van Gelder.

De eerste twee nummers voelden wat stroef aan en de muzikanten moesten elkaar nog vinden. De muziek lag tegen de vrije jazz aan, maar met een maatvastheid. Dat zorgde er voor dat drummer Craig Weinrib voldoende ruimte kreeg om creatief aan de slag te gaan. 

Weinrib ging zo lekker, dat Van Gelder tijdens een bluessolo zijn inspiratie met name bij hem vandaan leek te halen. Hierdoor kwamen er weliswaar mooie en afwisselende lijnen naar voren, maar was zijn solo meer een opeenstapeling van losse flarden dan een coherent verhaal. Toch mondde alles tijdens de tweede helft van de set uit in een uitgekiend contrast; met beide blazers die vooral kalm en beheerst over de drukke ritmesectie heen speelden.

The Pack Project
Het hoogtepunt zaterdagavond was The Pack Project. Elk jaar nodigt het festival een jong Nederlands talent uit om met een zelf samengestelde band nieuwe composities te spelen. Dit jaar was het de beurt aan Mark Schilders. Het was volgens de drummer de eerste keer in zijn leven dat hij serieus iets moest componeren en arrangeren. 

  
The Pack Project met onder andere Bram de Looze, Mark Schilders en Clemens van der Feen met Jesse van Ruller.

En het was meteen raak. Samen met Clemens van der Feen (basgitaar), Jesse van Ruller en de Vlaamse pianist Bram de Looze zette hij een spetterend optreden neer. De stijl van de stukken was voornamelijk een mengeling van fusionrock, new age en ambient. Het ging daarbij niet om virtuoze solo's, maar om het gezamenlijk neerzetten van een ijzersterke sfeer. 

Schilders putte de inspiratie voor zijn werken onder meer uit de IJslandse post-rockband Sigur Rós en zoals hij het omschreef: “Mijn vadsige huisgenoot in New York.” Een schitterende soundscape genaamd Blackhole was gestoeld op het gelijknamige gitaareffect dat Van Ruller hierbij gebruikte. Het kwam dynamisch gezien nooit van de grond, maar dat was eigenlijk maar goed ook, want het trok het publiek volledig in een andere wereld. Dit in tegenstelling tot “Experiment met ritme, de voorlopige werktitel”, waarbij de band na allerlei meerstemmige ritmes een tijd lang bleef hangen en sterk improviseerde op een 15/16e maatsoort. Het goede nieuws voor wie er niet bij was: er komt een album.

Avishai Cohen
De laatste avond van het festival was gereserveerd voor grote internationale namen. Het trio van Avishai Cohen (contrabas) liet naast oude ook nieuwe, nog niet opgenomen stukken horen. Het concert was een mix van kamermuziek, Joodse klezmer, latin en jazz. Tussendoor praatte Cohen niet met het publiek maar hij genoot zichtbaar van het applaus. Zijn lichaamstaal straalde een enorme focus uit en de wil om iets prachtigs neer te zetten. 

  
Het trio van contrabassist Avishai Cohen met pianist Nitai Hershkovits en drummer Daniel Dor.

Naast de klassieke insteek van Nitai Hershkovits achter de piano kwam er fantastische ondersteuning van drummer Daniel Dor. Het hele concert lang drumde hij zeer subtiel, geraffineerd en zelfs melodieus: hij zocht de verschillende klanken van zijn drumstel net zo vaak op als dat hij ritmische ideeën plaatste. Als klapper gaf hij een drumsolo van formaat met alleen brushes en zijn blote handen.

Gevoed door de andere twee speelde Cohen als een beest op zijn contrabas, gebruikmakend van zo'n beetje alle oosterse toonladders die er zijn in combinatie met percussieve bastechnieken. Tijdens een lange toegift zong hij – niet onverdienstelijk – een stuk a capella in het Ladino, gevolgd door een bassolo vol humoristische quotes.

John Scofield
Tot slot John Scofield samen met drummer Bill Stewart en basgitarist Steve Swallow als waardige afsluiters van het festival. Scofield greep sinds lange tijd weer terug naar jazzstandards en eigen werken die daarbij aansloten. Dit alles natuurlijk met een flinke dosis blues en country. 

  
Het John Scofield Trio met bassist Steve Swallow en drummer Bill Stewart. Ook de Nederlandse band Krupa & The Genes speelde op het Rotterdamse festival.

Scofields unieke manier van timen gaf een mooie eigen draai aan de uitvoeringen, maar zijn rockachtige gitaargeluid was niet altijd even passend. Ook kwam hij in zijn solo's vaak op hetzelfde – vaak pentatonische – materiaal uit, waardoor het nogal eens langdradig werd. Gelukkig liet hij tijdens de standard ‘Tangerine’ horen dat hij de bebop nog niet is verleerd.

Stewart was technisch zeer strak en blonk uit met het veelzijdige gebruik van de hi-hat. Swallow speelde zoals altijd met een koperen plectrum en klonk meer als een tweede gitarist. Maar dan eentje met een fenomenaal soepele walking bass, die alleen al was op te maken uit de manier waarop hij zijn pols bewoog. Tijdens zijn solo's had hij ook meer weg van een gitarist dan een bassist, wat jammer was, want wat meer afwisseling naast de improvisaties van Scofield was zo gek nog niet geweest. 

Improviseren
Het trio kwam het meest tot zijn recht bij de lange outro's die het steevast aan het eind van elk nummer vastknoopte: hierbij improviseerde Scofield juist veel sterker en kwamen er spontane, creatieve drumbreaks envamps op gang. De avond sloot af met een mooie toegift: een gevoelig country-jazznummer zoals alleen Scofield dat kan, helemaal in zijn element.


© Jazzenzo 2010