Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

De ontmaskering van K.

COLUMN
door: Cyriel Pluimakers









K.



K. wordt in 1981 in Los Angeles in een muzikaal gezin geboren. Hij is een schattige baby en de oogappel van zijn ouders, die hem graag verwennen. Zijn vader Rickey ziet al vroeg talent in hem want K. trommelt op alles wat los en vast zit. Rickey is een saxofonist met een beperkt talent. Met de Wizzdom Band maakt hij een single met op de A-kant ‘After Lovin’ You’ en op de flipside ‘Dance All Night’. Nummers die het prima doen in het partycircuit maar verder weinig om het lijf hebben. Zoonlief wil al vroeg beroemd worden en besluit saxofoon te gaan spelen, net zoals zijn vader. Vooral met de tenorsaxofoon heeft K. succes bij de meisjes. Terwijl de rest van de band nog aan het opruimen is, zit K. al met zijn vrouwelijke fans aan de bar.

K. is ambitieus en maakt in tegenstelling tot een aantal van zijn vrienden wel de high school af. Vader Rickey brengt hem in contact met jazzmusici als gitarist Kenny Burrell, drummer Billy Higgins en bandleider Gerald Wilson. Wanneer er bekende musici optreden zorgt K. dat hij in de buurt van de kleedkamer komt. Wayne Shorter, Herbie Hancock, Horace Tapscott en George Duke zijn wel gecharmeerd van de jonge gast en laten hem wel eens meespelen. K. ziet dat je voor het spelen van echte jazz hard moet werken, maar dat heeft hij er wel voor over. In 2004 speelt hij mee op ‘Young Jazz Giants’, een album dat nauwelijks opgemerkt wordt. En hij heeft er nog zo hard voor gewerkt ….

Met zijn vader heeft hij ernstige gesprekken: zoveel oefenen en zo weinig verdienen kan niet de bedoeling zijn. “Je moet je focus verbreden”, zegt hij. “Met andere muziek krijg je een veel dikkere portemonnee en je hoeft er niet zoveel voor te oefenen.  Als je het goed doet kun je snel rijk en beroemd worden.” 

Rickey adviseert hem om andere kleren aan te trekken op het podium: Afrikaanse jurken staan veel beter, je moet er niet uitzien alsof je naar de supermarkt gaat. In een snuisterijenwinkel vindt K. ook nog een aantal exotische kralenkettingen en sjaaltjes. Hij liet zijn haar groeien tot een woeste bos. Hippe types als Nas, Snoop Dogg, Thundercat en Flying Lotus worden zijn nieuwe vrienden. Soms mag hij meedoen met een liveoptreden en nu en dan mag hij met hun de studio in. De muziek vindt hij eigenlijk maar niks maar met een paar noten bij deze nieuwe vrienden, verdien je al gauw meer dan een compleet concert als jazzmusicus.

Van 2005 tor 2011 speelt K. mee met het Gerald Wilson Orchestra, maar hij verdient er bijna niets mee. Bovendien staat hij tussen musici die bijna allemaal zijn meerdere zijn. Zo zal hij nooit opvallen, want ze snappen veel meer van akkoordenschema’s dan hij en slagen erin bij elk nummer een totaal andere solo te laten horen. De improvisaties van K. lijken steeds erg veel op elkaar. 

Extravagant
Hele nachten discussieert hij met zijn vader en zijn vrienden hoe ze in godsnaam beroemd kunnen worden. De stoere contrabassist M. adviseert hem allerlei actuele stijlen te gaan mixen, drummer B. zegt dat er meer soul in de muziek moet, L. maakt hem enthousiast voor elektronica en Thundercat benadrukt dat rap een hoofdonderdeel moet vormen. Ook het vocale aandeel zal omhoog moeten want dat snapt het publiek altijd. Als een club muzikale vrienden spelen ze eerst alle kroegen plat en daarna de grotere concertpodia aan de West Coast. Van het geld dat ze verdienen kopen ze geen drugs maar laten ze tattoos zetten. Elke maand ziet de band er stoerder uit. K. verzamelt extravagante gewaden in Afrikaanse winkels en laat zijn haar nog meer groeien. Ook vindt hij een Afrikaanse toverstaf op een rommelmarkt: die zal hem later vast nog van pas komen. 

K. richt zelf het ‘Not On Label’ op maar na drie weinig succesvolle releases zakt de vrienden de moed in de schoenen. In 2009 besluiten ze maar even geen cd’s meer uit te geven: als live-band doen ze het veel beter. 

The Epic
Het gaat erg goed met de carrière van de vrienden van K. Een aantal heeft een eigen band waarmee ze bijzonder succesvol zijn en over de hele wereld toeren. Het begint K. behoorlijk te kriebelen en daarom gaat hij veel naar concerten van hippe zwarte artiesten. Je weet nooit wat je van hun kunt leren. Als rapper is hij ongeschikt en als saxofonist middelmatig. John Coltrane en Pharoah Sanders vormen zijn grote voorbeelden. Maar hij weet zeker dat hij het niveau van hun spel nooit zal halen. Dus moet hij iets anders verzinnen: samen met zijn vader brengt hij vele uren door aan de keukentafel. Ze luisteren veel naar muziek uit de seventies, toen er nog flink werd voortgeborduurd op de spiritual jazz. Het valt hem op dat er vaak koortjes en strijkers bij de muziek zitten. “Wat moet ik doen?”, vraagt hij aan zijn succesvolle muzikale vrienden. “Hippe grooves”, zijn belangrijk zegt de een.” “Het moet groots klinken”, zegt de ander. “Het woord jazz mag niet vallen, dan kun je succes wel vergeten”, zegt zijn slimste vriend. 

K. haalt er bij een van de volgende gesprekken een succesvolle producer bij: “Je moet de overtreffende trap laten zien, geen dubbel-cd maar een driedubbel-cd.” Voordat hij gaat opnemen, vraagt hij advies aan een bevriende fotograaf. “Ik kan een fantastische cover maken waarbij ik je uit de hemel laat neerdalen”, zegt hij.“ Het stijgt K. allemaal een beetje naar het hoofd, hij wordt er knap onrustig van. “Nu nog de uitvoering”, denkt hij. K. roept zijn vrienden bij elkaar en dagenlang brengen ze in de studio door. Ze maken gebruik van opgelapte vintage apparatuur: oude bandrecorders worden weer tot leven gewekt, analoge mengpanelen zorgen voor een stoffig geluid en oude microfoons worden schoon geblazen. De opname is verre van perfect maar dat horen alleen de luisteraars met echte oren aan hun hoofd en dito luidsprekers in hun huiskamer. Uit een paar telefoonoortjes klinkt het resultaat best aardig. Wekenlang wordt er geknutseld, geknipt en geplakt met stukjes band, fragmenten strijkers en percussie, extatische vocals en elektronica. K. laat tussentijds de resultaten aan collega’s horen en de reacties zijn wisselend. Vooral op de uitvoering van ‘Cherokee’ krijgt hij veel kritiek. ’s Nachts droomt K. dat hij de god van de nieuwe muziek is: als hij nu de productie uitbrengt zal de hele wereld aan zijn voeten liggen. Met handige marketing-kennissen zet hij een stevige campagne op en in mei 2015 komt ‘The Epic’ uit: een pakket met drie cd’s die ‘The Plan’. ‘The Glorious Tale’ en ‘The Historic Repetition’ heten. 

Zorgvuldig wordt de publiciteit aangestuurd, met de bijzondere droom van K. als uitgangspunt. Weinigen valt het op dat de productie bijzonder slecht klinkt en dat de muziek wel veel herhalingen kent. De koortjes verdoezelen de fantasiearme solo’s en het gebrek aan akkoordenkennis van de leider. Ook verschijnt er van dezelfde productie nog een box met drie lp’s die zo mogelijk nog slechter klinkt. Critici van gerenommeerde dagbladen zijn lyrisch, K. krijgt paginalange interviews en op North Sea Jazz mag K. in 2016 aantreden in een megalomaan formaat. Met het Metropole Orkest, een gospelkoor en zijn eigen band zorgt K. voor misschien wel de grootste zeperd van North Sea Jazz ooit. Het geheel is allerminst in balans, de versterking overschrijdt de pijngrens en alle muzikaliteit is ver te zoeken. De verantwoordelijken van de NTR hebben het schaamrood op de kaken staan en het verhaal ‘De Nieuwe Kleren van de Keizer’ krijgt een actuele versie. 

Weggehoond
De uitgebreid geventileerde boodschap dat hij beslist geen jazz speelt verricht wonderen. K. trekt volle zalen en programmeurs staan wereldwijd in de rij om hem te boeken. Critici die vraagtekens plaatsen bij de prestaties van K. worden weggehoond. Over K. en zijn succesvolle muziek mag geen negatief woord gezegd worden. Veel musici gaan de strijd wel aan en tonen aan dat het muzikale verhaal van K. wel erg beperkt is. Ben van den Dungen karakteriseert hem als “(….) een Ferrari zonder bijbehorende motor. Het lijkt heel wat maar het rijdt voor geen meter.(….)

In 2017 verschijnt de EP ’Harmony of Difference’, waarop K. de succesformule van ‘The Epic’ nog eens dunnetjes overdoet. Veel critici wereldwijd herhalen hun eerdere superlatieven, maar John Lewis (The Guardian) spreekt over "big, blustery, banal, unsatisfyingly static melodies that are repeated over and over and over again, restated each time by horns, guitar, strings and choir". Positief is hij over de kwaliteit van de ritmesectie, die een compliment krijgt. 

Hemel en aarde
Eind juni brengt K. de dubbel-cd ‘Heaven and Earth’ uit, vergezeld van de EP ‘The Choice’. Journalisten eten uit zijn hand en op bijna alle muziektijdschriften staat hij op de cover. Het regent interviews en de toverstaf, die hij ooit op de rommelmarkt kocht, ontbreekt nooit. De succesvolle Dr. John heeft er tenslotte ook een. Serieuze Europese dagbladen sturen journalisten naar Parijs om de god van de nieuwe muziek te interviewen. K. profileert zichzelf als een verkondiger van black conciousness en dicht zichzelf nu ook een maatschappelijke rol toe als een verbinder binnen de zwarte cultuur. 

De muziek is er intussen niet beter op geworden: zweefden zijn eerdere producties al op het randje van de kitsch, ‘Heaven and Earth’ is zo mogelijk überkitsch. Nog meer nadruk op strijkers, stemmen en elektronica. De muzikale boodschap is flinterdun, met hier en daar een vlaagje van de muziek van het fameuze John Coltrane Quartet. Muziek uit de eerste helft van de jaren zestig. K. reist over de hele wereld en trekt van festival naar evenement, maar slapen doet hij steeds slechter.

Het is inmiddels een week geleden dat John Coltrane in een droom aan hem verschijnt: “Jongen waar ben je mee bezig, ik vind het prima dat je me citeert maar doe het dan oprecht. Anders kan het verkeerd met je aflopen”. De nacht daarna slaapt K. erg slecht. Het kost hem ’s avonds moeite om zich door het concert heen te slaan. In zijn hotelkamer krijgt hij angstdromen over collega’s die het de afgelopen jaren niet gemaakt hebben, terwijl ze toch beschikken over meer talent dan hij. Urenlang ligt hij in zijn bed te woelen en voert hij gesprekken met musici als Odean Pope, Courtney Pine, Teodross Avery, Wayne Escoffery en Tim Warfield. Saxofonisten die stuk voor stuk allemaal veel beter spelen dan K. Afgelopen nacht verschijnen Pharoah Sanders en Archie Shepp in zijn hotelkamer. K. siddert in zijn bed vanwege het onverwachte hoge bezoek: de twee iconen van de black music werpen een minachtende blik naar zijn toverstaf en de Afrikaanse gewaden die over de stoel liggen. “Wij leven nog en hebben er hard voor gewerkt. Je show vinden we niet om aan te zien en je muziek pruimen we niet. Zelf zijn we niet meer in staat om onze eigen muziek goed te spelen. Maar wat we beslist niet willen is dat je onze muzikale erfenis op deze manier belachelijk maakt.” 

K. wordt door angstzweet bevangen, zijn hele bed is in een klap nat. Sanders maakt aanstalten om de kamer te verlaten maar Shepp kijkt hem nog een keer strak aan: “Jongen hou er toch mee op. Al jarenlang kan ik niet meer goed saxofoon spelen en daarom ben ik acteur geworden. Jij moet dat ook gaan doen.”

Vanochtend zit K. aan zijn ontbijt in een luxehotel. Het eten smaakt hem niet, maar zijn besluit staat vast: hij wordt acteur en Hollywood is zijn nieuwe ambitie. Aan zijn vrienden gaat hij dadelijk vertellen dat hij de band opheft.


© Jazzenzo 2010