Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Ray Anderson Pocket Brass Band – Come In

CD-RECENSIE 

Ray Anderson Pocket Brass Band – Come In
bezetting: Ray Anderson trombone, Steven Bernstein trompet,
José Davilla sousafoon, Tommy Campbell drums
opgenomen: 11 maart 2020, Glad House, Cottbus, Duitsland
uitgebracht: oktober 2021
label: Double Moon Records / Challenge
aantal stukken: 6
tijdsduur: 49’03
website: challengerecords.com
door: Cyriel Pluimakers



De trombone is in de naoorlogse jazz een ondergeschoven kind. Weinig musici slaagden erin het instrument te temmen voor de snelle bebop en hardbop noten, uitzonderingen als J.J. Johnson en Curtis Fuller daargelaten. Ook in de periode daarna moesten trombonisten met een lantaarntje in het donker gezocht worden. Wel zorgde Roswell Rudd voor een vrijgevochten geluid waarin Dixieland en vrije improvisatie hand in hand gingen. Het is een feit dat met name de saxofoon steeds als een meer sexy instrument wordt ervaren. Medio jaren zeventig werd de Amerikaanse jazz versterkt met een tweetal uitgesproken trombonevirtuozen: George Lewis en Ray Anderson.

Taal
Met name de laatste heeft voor ‘de schuif’ een heel nieuwe taal ontwikkeld: een amalgaam van New Orleans, bop en free jazz. Ook beheerst hij als geen ander technieken als ‘multiphonics’ en ‘circular breathing’. Met zijn vaste trio BassDrum Bone - met contrabassist Mark Helias en drummer Gerry Hemingway - zorgde hij jarenlang wereldwijd voor adembenemend mooie concerten. De muziek van New Orleans beleefde een hergeboorte in zijn compacte Pocket Brass Band. Succesvolle uitstapjes richting funk maakte hij met zijn spectaculaire Slickaphonics. Helaas moest hij vanwege ernstige gezondheidsproblemen zijn carrière meerdere malen onderbreken. 

Coronapandemie
Onlangs verscheen op het Double Moon-label een album met de uitnodigende titel ‘Come In’, een productie met zijn viertallige Pocket Brass Band. Deze live opnames zijn in het Duitse Cottbus gemaakt vlak voor het punt, begin maart vorig jaar, dat de Verenigde Staten hun grenzen sloten vanwege de coronapandemie. Op het moment dat de musici spelen weten ze nog niet of ze de volgende dag nog met het vliegtuig terug kunnen. Deze spanning resulteert in een concert zonder weerga, met een uitgelaten Anderson, die in zijn spel vol gas geeft. Samen met trompettist Steven Bernstein en de sousafoon van José Davila zorgt hij voor een heerlijk kopergeluid met een retro feel. Bernstein, die ook te horen is op de niet vaak gebruikte schuiftrompet, laat zijn instrument uitbundig knetteren. Davilla genereert ondertussen een lekkere donkere achtergrond, die met het knisperende slagwerk van Tommy Campbell, zorgt voor een waar luisterfeest. 

Religieus
De geesten van het oude New Orleans zijn alom aanwezig, van de vocale intro ‘Calling In The Spirits’ en het rauwe ‘Who Knows What’ tot de extatische afsluiter ‘Next March’. Meeslepend is Anderson’s arrangement van Duke Ellington zijn ‘Come Sunday’, ooit het eerste deel van de uit 1942 daterende suite ‘Black, Bown and Beige’: een thema dat met name beroemd werd in de gospelversie van Mahalia Jackson uit 1958. Naadloos schakelt het kwartet daarna over naar het diepreligieuze ‘Dear Lord’ van John Coltrane. Bernstein schittert met een gedreven solo waarin hij alle kanten van de Glad House club lijkt te raken. 

Authentiek
Er zijn weinig musici in de actuele jazz die zo’n getrouw en authentiek verhaal hebben als Anderson. Compromisloos heeft hij zich de afgelopen decennia ontwikkeld tot een autoriteit die in zijn muziek voortdurend ook het roots gevoel vertolkt. Bij hem hoor je de hele trombonetraditie, van Kid Ory tot Albert Mangelsdorff, zonder dat hij zijn virtuositeit te veel benadrukt. Een buitengewoon eerlijk geluid dat diep verankerd is in New Orleans, de gospel en de blues. 





Beluisteren via Spotify, inloggen noodzakelijk.


© Jazzenzo 2010