Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

MILES IN NEW YORK

VERHAAL
door: Michael Varekamp












Miles Davis. Mijn platenkast staat er vol mee. Al die albums met al die fantastische covers en al even fantastische titels. Het is prachtig kneden, spelen en kliederen met die naam. MILES. Zo robuust en tegelijkertijd zo veel beweging. Het woord Miles is monumentaal, meervoud en beweegt ergens naartoe. Net als haar eigenaar, The Prince of Darkness. Een leven lang beweging, van licht naar donker en weer terug. Foto’s waarop Miles als de goedlachse man te zien is die hij ook wel degelijk was, zijn er nauwelijks of worden maar sporadisch vrij gegeven. Alles om dat prachtige mystieke imago in stand te houden. Miles in the Sky, Miles Ahead, Milestones, Miles Smiles.

In interviews zeg ik wel eens, als Louis mijn vader is, dan is Miles mijn moeder. Zo voelt het. Tot die androgyne mix die onder al dat machismo van Miles schuilgaat aan toe. Dat geldt voor zijn persoonlijkheid, maar evengoed voor zijn relatie met de trompet. De manier van spelen, de muzikale inzichten, het alles uit je bandleden halen. Door een groot deel van de wereld worden ze wel gezien als twee verschillende universums maar voor mij bestaan ze wel degelijk uit hetzelfde dna
You can’t play a note which is not from Louis constateerde Miles dan ook al vroeg in zijn carrière.
Je kunt geen noot spelen die niet al door Louis is gespeeld. Miles had dondersgoed in de gaten hoe het zat. Ook op persoonlijk vlak. Beide slachtoffer van de perverse Amerikaanse samenleving uit die tijd. Getekend door discriminatie en uitsluiting. Kinderen van The American Nightmare om Pops te parafraseren. 

Mijn relatie met Miles begon in Parijs door zijn Franse tijd. Hij schreef er de onsterfelijke  filmmuziek voor Ascenseur pour l’echaffaud van Louis Malle, en ik vierde er mijn eerste vakanties zonder mijn ouders in wat chroniqueur Martin Bril ooit omschreef als, ‘het dichtstbijzijnde beloofde land’. Want dat was het. Vanaf het allereerste moment ademde Parijs vrijheid. De Vrijheid van de Grote Mensenwereld. En van kunst. Alsof er ineens een hele nieuwe artistieke wereld binnen handbereik lag. Ik opende ooit een voorstelling met die ervaring.

Als ik voor het eerst op eigen benen op vakantie mag, ga ik natuurlijk naar Parijs. Samen met mijn beste vriend. We struinen de straten af op zoek naar het geheim van het leven. Tja, we zijn nog kinderen. Quartier Latin, Rue de Mouftard. We maken muziek bij zonsondergang op de trappen van de Sacre Coeur. Ik leer olijven eten, rode wijn drinken…meisjes kussen. En doorzakken. In de jazzcafés van Montmartre zitten we nachtenlang gekluisterd aan de opzwepende zigeunerjazz van Hot Club de France. Geniale muziek van Django Reinhardt en Stéphane Grapelli. Zorgvuldig doorgegeven van generatie op generatie op generatie. En altijd is er die onderhuidse soundtrack. 
De Franse jazz van Miles Davis.

Ik vind Miles in verlaten straten, in boetiekjes, in typisch Franse jazzcafés. Hij is daar nog, net als Jeanne Moreau dwalend door de stad. Zij maakte zich onsterfelijk als overspelige femme fatale in de film van Louis Malle. Smachtend in de regen in Parijs, op zoek naar haar geheime liefde. 
Maar ja, die zat vast in de lift na de koelbloedige moord op haar echtgenoot, die ook nog eens symbool stond voor het groot kapitaal. En dat allemaal op de, in de ogen van velen, beste filmmuziek ooit geschreven. Zo ook van Miles zelf. Toen de meester de film voor het eerst zag, luidde het korte commentaar The bitch can’t walk to my music. Wanneer ik het existentialistische melodrama als tiener in de bioscoop zie val ik halverwege in slaap, maar goed, ik heb hem gezien. Toch ook hip.

De relatie met het Paris van Davis blijkt een bestendige en gaat een leven lang mee. Net als die met New York. Die steden worden vanzelf een soort familieleden. Fysiek voelbaar naast alle personages die je er ontmoet. Op je twintigste zie je een ander Parijs en New York dan op je dertigste of  vijftigste. Net als hoe je in de loop van het leven naar je ouders of het ouderlijk huis kijkt. 
Niet alleen filosofisch, maar ook letterlijk. Andere restaurants, andere muziek, andere mensen. 
Een ander licht op de schatten van de stad.

Parijs Swingt, Parijs is Wild en Parijs maakt geen onderscheid. ‘Parijs ìs de Twintigste Eeuw.’ 
Zegt Gertrude Stein, de zelfbenoemde pleegmoeder van de nieuwe artistieke elite. The lost Generation, die een paar jaar daarvoor huilend kwam terug gekropen uit de loopgraven van de Eerste Wereld Oorlog. Gertrude Stein, van’ A rose is a rose is a rose is a rose’. 
Anyway, het wemelt van de Americans in Paris. En dat is niet zo gek. Je kunt er een maand leven van honderd dollar en er is geen drooglegging zoals in Amerika. Paris is Hot!  Iedereen wil naar Parijs. Schrijvers, kunstenaars, filosofen. En natuurlijk muzikanten. Als er iemand ergens een feestje geeft bellen wij aan en zijn we er bij. Cole Porter gaat in Parijs studeren, Hemingway schrijft er zijn beste werk en Picasso? Picasso staat erbij, kijkt ernaar en verzint bij iedere ontwikkeling steeds een nieuwe stijl. De salons en de kelders aan de Seine puilen uit. Jazzmuzikanten, Straatmuzikanten, Zigeuners, Paradijsvogels, Nachtbrakers, niets is te gek en alles kan.    

312 West 77th Street Upper West Side. 
Het is aangenaam koud in New York, als ik voor het voormalige huis van Miles sta. 
De lucht is glashelder en de kou prikt venijnig in je neus. Zelfs het weer in New York wordt uitvergroot. Miles ging er op zijn achttiende naartoe om nooit meer terug te keren naar waar hij vandaan kwam. Hij moest en zou er met de grote saxofonist en uitvinder van de bebop Charlie Parker spelen. De statuur van Parker, in de volksmond Yardbird of kortweg Bird, had toen al mythische proporties aangenomen. Het duurde een paar weken maar uiteindelijk deed de kosmos haar goddelijke werk. De ontmoeting tussen Miles en Bird plaatste de loop van de jazz voorgoed in ander daglicht. Wat blijkt? Miles is hetzelfde en tegelijk totaal anders dan Bird. 
Precies het soort energie waar de jazz tot dat moment op had zitten wachten. 
I heard you were you looking for me? was het korte maar indringende sollicitatiegesprek op een vroege morgen op 52nd Street, begin ‘44. The rest is history is in dit geval een understatement.
Ik neem het huis in me op. Eigenlijk een heel gewoon huis. Nu chic, fancy en ongetwijfeld onbetaalbaar, maar als ik daar sta kijk ik met de blik van voor dat vastgoed het nieuwe goud zou worden. Het huis, althans de achtertuin staat ook op de plaat ESP van Miles uit 1965.  
Op de foto is te zien dat hij het net heeft uitgemaakt met Frances Taylor, naar eigen zeggen de liefde van zijn leven. Of hij maakt het straks uit, dat kan ook. Die foto is precies als zijn muziek. Je weet het wel, maar je moet erop vertrouwen dat je het weet. In dit huis liet Miles zijn nieuwe band repeteren in de kelder, terwijl hij zelf aan het koken was. Ondertussen luisterde hij door de intercom of het al wat werd met die jonge honden. Dit is ook het huis waar hij een lange periode in een soort Dracula-achtige toestand verkeerde, toen het even gedaan was met de grote successen. Een onbestemde periode met de gordijnen dicht. Verdwaald in zijn eigen genie. Pangaea was zijn laatste plaat. Toen. 
Zelfs de liefde heeft hem daar verlaten, de muziek is er vandoor en ook zijn gezondheid heeft de weg naar de uitgang ontdekt. Miles is negenenveertig als hij begint aan een retraite zonder eind in 1975. Althans, zo lijkt het. Uiteindelijk worden het zeven lange jaren zonder band of trompet, maar vol drugs, gedoe met vrouwen en vooral eenzaamheid. De geniale tank is leeg. 
Mick Jagger belde in die periode een keer aan bij het appartement van Miles. De boodschap was dat hij ‘Miles zo graag wilde ontmoeten en dat dat vast wederzijds was.’ Jagger was jong en op een van de vele toppunten van zijn alsmaar uitdijende roem maar in de ogen van Davis natuurlijk een beginneling. En dan ook nog eens een ongeschoolde. Een slungelachtige witte Engelse jongen die de blues had gestolen van Muddy Waters en andere oerkrachten, om daar vervolgens goede sier mee te maken. Take a taxi, boy luidde het korte antwoord. 

Ik word geïnterviewd in een radiostudio in Harlem, samen met de zoon van de roemruchte pianist Thelonious Monk, Thelonious Jr. Junior is begenadigd drummer maar bovenal spokesman voor de Jazz van zijn vader en van al die anderen. Het was op zich al een wonderlijke draai van de geschiedenis dat ik daar zat, maar hij zat er óók. 

All the way from Bodegraven. Plof! Schouder aan schouder naast de zoon van de Highpriest of Bebop. Hij kan er ook niet over uit. Over dat die jazz zulk sterk spul is dat het helemaal aan de andere kant van de oceaan een jochie in de polder wakker schudt, en dat datzelfde jochie jaren later als gerespecteerd trompettist naast hem zit in een studio in Harlem. Hij zit vol prachtige verhalen en kan ze geweldig vertellen. Miles Davis komt ter sprake. ‘Ik ken hem helemaal niet als superster’, vertelt hij. ‘Toen ik een kind was, lag mijn vader vaak uren op bed (Monk leed onder ernstige psychische klachten) en soms belde de jonge Miles dan aan om iets te vragen over muziektheorie. Ik heb nog geen tijd zei mijn vader dan doodleuk, waarop Miles soms drie uur lang braaf op een bankje in de gang zat te wachten’. You can let him in now. We moeten lachen. Ieder zijn eigen jeugd. 
Ik moest het doen met een poster van Miles op mijn jongenskamer. Miles op een barkruk in Paris. Zwart pak, serieuze, kwetsbare blik. Parijs was Miles’ trigger voor drugs and a bunch of other things. Hij had zich nog nooit zo goed en gewaardeerd gevoeld als daar. De muziek was te gek, hij had een affaire met Juliette Gréco, en hij had hele gesprekken met Jean Paul Sartre zonder dat ze elkaar konden verstaan. Natuurlijk moest ’ie daarna bij thuiskomst aan de heroïne. Teruggeworpen in het wrede apartheidssysteem van het Amerika waar lynchings in de jaren vijftig nog aan de orde van de dag zijn. Sowieso was de halve scene in die tijd aan de dope. Art Blakey, Fats Navarro, Chet Baker. 
Met dank aan Charlie Parker, die er natuurlijk ook niets aan kon doen, maar er wel mee begonnen was. Maar daar op die foto in mijn jongenskamer weet Miles dat allemaal nog niet. Van de bijbehorende muziek uit die periode begrijp ik in die tijd trouwens nog niets maar je moet wel uit een ei komen om niet te begrijpen dat dit de definition of cool is. The Sorcerer, The Man In The Green Shirt, Man with The Horn. Little Doc Davis noemde zijn vriendjes hem op de High School waar hij zat. Zelfs op zijn zestiende was Miles al een intrigerende figuur. Zijn puberende leeftijdgenoten ver vooruit met zijn talent en charisma. 

Er zijn talloze verhalen over Miles Davis in New York. Al is het maar omdat hij ze zelf verteld heeft. Dat is ook het mooie aan deze business. Wij zitten in de business of storytelling. Waarom? Omdat dat ons definieert en op de been houdt als jazzmuzikanten. Tenslotte zijn we Griots, Storytellers.  
In het heel groot, maar dus ook in het heel klein. Ik sta voor dat huis en weet alles, maar toch zie ik een plek waar ik niet zo veel bij voel. New York gaat ook zo snel. Er zit alweer minstens vijftien jaar geschiedenis tussen. Kennelijk ook als je Miles Davis bent. Zoals mijn nuchtere vader vroeger zei, ‘Soms ga ik naar een heel bijzondere plek maar als ik het al eens op tv gezien heb kan ik alleen maar denken ‘Ja! Het klopt.’ Toen vond ik dat best wel nihilistisch maar nu pas begrijp ik dat mijn vader een stille genieter was. Een genieter van eerste keren, van onverwachte doorkijkjes en verrassende inzichten. Misschien wel net als de muziek van Miles. Die ene noot, welgemeend. Lekker even laten liggen en er op tijd weer uit. Gewoon, op je boerenverstand. Geen wonder dat Miles al snel genoeg kreeg van de snelheid en de hectiek van bebop, na eerst geholpen te hebben hem uit te vinden. Miles had heel goed in de gaten dat de essentie van die hele bebop vooral was dat al het materiaal nu op tafel lag. Klaar voor de volgende fase. Jongens, wat gaan we er eigenlijk mee doen?

Ik kijk nog eens goed naar de gevel. Kort daarvoor ben ik naar mijn allereerste concert in New York geweest. Een Miles Davis Marathon in een obscuur theater in Harlem, ter gelegenheid van een verjaardag van Miles. Ik kwam het tegen in de Village Voice, in de tweede helft vorige eeuw een onmisbare cultureel/sociale straatkrant in de stad, toen internet nog lang niet aan de orde was. 
Alles liep via ‘The Voice’. Opgericht door Norman Mailer, met regelmatige publicaties van revolutionaire schrijvers als James Baldwin en Henry Miller. Schilder Jean Michel Basquiat werd ontdekt door The Voice. Ik informeer voor de zekerheid nog even naar de kwaliteit bij een vriend die naar New York is verhuist, maar die bezweert mij met de hand op zijn hart dat alle muziek in de stad altijd top is. ‘Okay.’ Ik zoek de metro, stap in en uit en even later zit ik in een jazzhemel die ik nooit voor mogelijk had gehouden.

Van twaalf tot middernacht spelen de meest vooraanstaande trompettisten in New York hun ode aan de Grootmeester. Van Wallace Roney tot Ingrid Jensen en van Graham Haynes tot Terence Blanchard. Hipster Dave Douglas steelt de show. Die komt op met protestborden met daarop de namen van zijn bandleden. Precies zoals Miles deed op het eind van zijn leven. Wat ’ie speelt maakt niet meer uit. Wow!!!!!! Ik stijg op, neem brood mee, zeg vaarwel tegen mijn volledige opvoeding en kom nooit meer terug. Overigens gedraagt het talrijke New Yorkse publiek zich alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik breng de dag alleen door, tussen al die mensen. Ik ben natuurlijk ook veel te bleu om een gesprekje aan te knopen met iemand. Ook dat is New York. 

Bij een later bezoek, zwerf ik eens twee weken vol liefdesverdriet door de stad zonder een woord met iemand te wisselen. Pas als ik mijn enige New Yorkse vriend onverwacht tegenkom op mijn laatste avond in een restaurant ergens op Bleecker Street, heb ik voor het eerst weer een gesprek. We raken aan de praat en ik word zonder doel ter plekke smoorverliefd op een vrouw die terloops aanschuift als gemeenschappelijke kennis. De volgende dag haast ik me niets vermoedend naar JFK om eenmaal op het vliegveld te horen Sorry sir, You’re flight was Yesterday. Mijn nieuwe verliefdheid en oude liefdesverdriet genezen wonderbaarlijk en als bijvangst ben ik een New Yorker voor het leven.

Een paar dagen daarvoor zit ik in mijn geliefde sigarenbar op 5th Avenue. 
Ik hoor iemand verzuchten dat The Upper West Side feels like Paris. 
De ruimte, de boetiekjes, de jazzcafés. Het gaat op de innemende toon van de film Smoke
Die gaat over een klein sigarenboertje op een hoek in Brooklyn, dat jarenlang op dezelfde tijd, op dezelfde plek, dezelfde foto neemt. Glansrijk vertolkt door Harvey Keitel. 

The Upper West Side feels like Paris. 
De rest van de bar knikt instemmend. 
Ik bestel nog een dubbele espresso en vooruit
een Montecristo Nr. 2.

 

 

(foto © Peter Putters)


© Jazzenzo 2010