Mete Erker glanst als de ultieme '+1' in zijn eigen band CONCERTRECENSIE. Mete Erker Trio +1, Jazz in De Fruitvis, Rotterdam, 16 oktober 2026 Tilburg Noord
beeld: Olga Beumer
door: Jeroen Jansen
Het regent pijpenstelen, de wind jaagt over de Maas en wie verstandig is, blijft vanavond thuis. Toch zit De Fruitvis weer vol. Zo'n honderdvijftig liefhebbers trotseren het noodweer voor Mete Erker, al decennia een van de eigenzinnigste saxofonisten van ons land. We kennen hem van zijn jarenlange duo met pianist Jeroen van Vliet, van het Artvark Saxophone Quartet en van Estafest. Met zijn Trio +1 slaat hij een nieuwe, avontuurlijke weg in.
![]()
Mete Erker, Floris Kappeyne, Tijs Klaassen en Wouter Kühne speelden in het Rotterdamse podium Jazz in De Fruitvis.
Het repertoire komt grotendeels van het dubbelalbum 'Tilburg Noord', een suite vernoemd naar de wijk uit de jaren zeventig waar Erker opgroeide, al verklapt hij dat de muziek helemaal niet over die enigszins troosteloze wijk gaat. Het is slechts de plek waar hij vandaan komt, om vervolgens op reis te gaan. Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe, dat is de vraag die door de muziek waart, samen met de geest van Albert Ayler. Niet voor niets opent de avond met Aylers 'Ghosts', een eerbetoon dat meteen de toon zet: rauw, zingend, met een bijna volkswijsachtige eenvoud die telkens openbreekt.
De naam van de groep is geen grap. Pianist Floris Kappeyne, bassist Tijs Klaassen en drummer Wouter Kühne spelen al samen sinds hun vijftiende. Toen Erker in 2021 voor een online uitgezonden concert in Paradox in Tilburg een nieuwe band zocht, schoof hij bij hen aan. Het album bevat zowel een studioversie als een registratie van dat optreden. Strikt genomen is Erker dus de gast in zijn eigen band.
'Trinkle' begint onheilspellend, met Debussy als vertrekpunt en een snufje Ayler erdoorheen. Kühne legt er een marsritme onder en het geheel blijft broeierig sudderen. Daarna volgt 'Questar', uit de koker van Keith Jarrett en zijn Europese kwartet. Het trio haalt er het spirituele, bijna gospelachtige karakter uit en Kappeyne speelt een fabelachtige solo die maar door en door gaat, alsof hij het einde zelf niet wil vinden.
![]()
Het is niet meer zo vanzelfsprekend, zegt Erker, 'dat we in een ruimte bezig zijn met schoonheid'.
Ruimte en melodie
Het hoogtepunt van de eerste set is 'Two Mirrors' van Klaassen. Het stuk opent als duet tussen saxofoon en contrabas, twee stemmen die elkaar inderdaad spiegelen. Kappeyne pakt het vervolgens grandioos op, Kühne verstopt een solo in zijn begeleiding die je pas achteraf als solo herkent, en Erker blaast op sopraan een vurige lijn die eindigt met een verrassend slotschot. De ‘Valse Triste’ van Sibelius sluit de set kort en ingetogen af. Hier draait alles om ruimte en melodie, en die laat het kwartet prachtig ademen.
Na de pauze klinkt 'Spellbinder' van Jeroen van Vliet, speels en opgewekt. Dan volgt de enige standard van de avond, 'Moonlight in Vermont', een ballad in onversneden jazztraditie. Het klinkt bijna als een karikatuur, met Kappeyne die als een soort Erroll Garner de toetsen bespeelt. Je kunt het opvatten als een knipoog, maar het blijft een opmerkelijk uitstapje in een verder zo zoekend programma.
Kern
Wat dan volgt, verklaart veel. In 'A Realm of Nows' van Harmen Fraanje haalt dit trio het melodische vernuft van de componist in al zijn glorie naar boven. Het stuk bouwt geduldig op naar een prachtige climax. Normaal gesproken is de saxofonist degene die het vuurtje aansteekt, maar hier gebeurt het zonder hem. Ineens begrijp je waarom Erker zich de plus één noemt. Hij maakt volwaardig deel uit van de groep, maar de kern is het trio, en Erker is wijs genoeg om dat te laten horen.
Schoonheid
Tussen de stukken door bedankt hij het publiek hartelijk voor de komst. Het is niet meer zo vanzelfsprekend, zegt hij, 'dat we in een ruimte bezig zijn met schoonheid'. Op een avond als deze, met de regen tegen de ramen, krijgen die woorden extra gewicht.
Ter afsluiting klinkt 'Ja', een ode aan Pharoah Sanders. Opnieuw spiritueel, zoekend, diep uit de ziel. Dit is waar Erker het sterkst is: wisselend tussen tenor- en sopraansaxofoon zoekt hij de rand op zonder ooit de lyriek uit het oog te verliezen. Kappeyne levert nog een laatste grandioze solo af. Wie het noodweer had getrotseerd, kreeg daar ruimschoots iets voor terug.
© Jazzenzo 2010