The Art of the Quartet maakt diepe indruk en zindert lang na
CONCERTRECENSIE. The Art of the Quartet, Paradox Tilburg, 11 februari 2026
beeld: Ton van Leeuwen
door: Cyriel Pluimakers
De Deense saxofonist Benjamin Koppel (1974) is een netwerker pur sang. Hij werkte onder meer met Randy Brecker, Phil Woods, Joe Lovano, Kenny Werner, Jack DeJohnette en Bernard Purdie. Als kleinzoon van componist en musicus Herman D. Koppel en neef van pianist Nikolaj Koppel kwam hij terecht in een muzikaal nest. In 1993 presenteerde hij zijn debuutalbum en in 1992 was hij de eerste jazzmusicus die de Grote Prijs van het Jacob Gades Legatet ontving. Hij studeerde in New York bij de bekende Cubaanse saxofonist Paquito D’Rivera. Zijn hoofdinstrument is de altsaxofoon, waarop hij een bijzonder enigszins zangerig geluid heeft ontwikkeld.
![]()
Benjamin Koppel's The Art of the Quartet speelde in Tilburg vol overtuiging een aaneengesloten set.
Richting
Veel succes heeft hij met zijn project The Art of the Quartet, waarmee hij de afgelopen jaren heeft gewerkt in wisselende internationale samenstellingen. In het Tilburgse Paradox treedt hij aan met pianist Kevin Hays, contrabassist Scott Colley en drummer Peter Erskine: een ritmesectie die aanvoelt als een droom. Stevig gaat het kwartet van start met composities als ‘The Fade’, ‘The Fugue’ en ‘Disgrace to Brooklyn’. De nummers worden achter elkaar en zonder tussentijdse aankondigingen gespeeld. De musici spelen met buitengewone overtuigingskracht waarbij het effectieve spel van drummer Erskine nog het meest opvalt. Zonder een tik te veel uit te delen beheerst hij het podium, dit in nauwe samenwerking met de krachtige contrabas van Colley. Grote indruk ook maakt pianist Hays die qua impact een heuse reïncarnatie lijkt van McCoy Tyner. Met effectieve blokakkoorden geeft hij richting aan de muziek.
![]()
Benjamin Koppel, pianist Kevin Hays, contrabassist Scott Colley en drummer Peter Erskine.
Bebop
Het kwartet speelt een lange set met een zorgvuldig opgebouwde spanningsboog. Opmerkelijk is de uitvoering van Erskine’s ‘David’s Blues’, dat vol Tristano-achtige lijnen zit en waarin altsaxofonist Koppel even de gedaante van de grote Lee Konitz lijkt aan te nemen. Magistraal is de solo van pianist Hays, die een nieuwe draai weet te geven aan deze vorm van cool jazz. Spectaculair is ook de versie van ‘Sippin’ at Bells’, een stuk dat Miles Davis ooit opnam met Charlie Parker op tenorsaxofoon en een ode is aan hun favoriete bar. Feilloos toont het meesterkwartet aan dat bebop de ruggengraat vormt van de naoorlogse jazz. Altsaxofonist Koppel stapt even in de schoenen van Arne Domnérus, de Zweedse pionier die de moderne muzikale Amerikaanse ontwikkelingen naar Scandinavië bracht. Indrukwekkend ook is de walking bass-solo van Colley.
Ballad
Met Erskine’s langoureuze ballad ‘Touch Her Soft Lips and Part’ wordt het optreden op gepaste wijze afgesloten, afkomstig van het succesvolle album ‘Sweet Soul’ uit 1991. Glorieus pakt de zingende altsaxofoon van Koppel de hoofdrol. Een daverend en langdurig applaus volgt: een concert van vier grootmeesters dat nog lang nazindert!
